Half-om-half vegetariërs

Een paar jaar geleden kon ik niet langer met mezelf rijmen dat ik aan de ene kant knuffelend met lammetjes op de foto stond en ze aan de andere kant om 4:00 ’s nachts bij de dönerzaak naar binnen stond te schuiven. Los daarvan kwam het mij ter ore hoeveel water en energie er wordt verbruikt in de vleesindustrie, en hoe goed het zou zijn om te minderen met vlees.

Minderen deed ik, maar de paté en brood met kroketten kon ik nog niet laten staan. Toen ik die eenmaal ook had losgelaten, vergreep ik mij nog wel eens aan een rondslingerende bitterbal. Ondertussen was mijn omgeving op de hoogte van mijn vegetarische avontuur, en ondersteunden ze mij daarin. Soort van.

Want op het moment dat ze wisten dat ik (ooit) van plan was geen vlees meer te eten, nou wee je gebeente als er dan alsnog een bitterbal in ging. ‘Jij was toch vegetariër!’ Werd de leus. Mijn eerste reactie was altijd een vorm van schaamte, niet alleen naar hen maar eigenlijk ook naar mezelf. Ze hadden gelijk, wat een laf gedoe dit.

Maar iets later dacht ik, wacht effe… waar bemoeiden ze zich mee?
Ondertussen eet ik geen vlees meer, probeer ik mezelf zelfs te verleiden met sojayoghurt en zie ik om mij heen hoe mijn omgeving worstelt met dezelfde struggles die ik ook had.

De halve vegetariër wordt niet op prijs gesteld, maar de kans dat de hele wereld geen vlees meer eet is veel kleiner dan dat de hele wereld minder vlees gaat eten. Helaas ben ik niet bevoorrecht met een wiskundige knobbel, maar die rekensom zal vast een enorm positieve uitslag hebben.

Daarom wil ik de half-om-half vegetariër een hart onder de riem steken. Je bent hartstikke goed bezig en het levert zoveel op dat jij af en toe je slavinken in het schap laat liggen en voor een vegetarische schnitzel kiest (probeer eens, best lekker). Laten we geleidelijk zien wat er gebeurt met de wereld als we minderen met vlees, en wie weet is dan ooit de stap naar vleesvrij niet zo heel groot meer. Want laten we eerlijk zijn: het zal een enorme omschakeling zijn. Ook voor de boeren.

Niet voor de dieren trouwens. Die zijn er vast blij mee.

Winterslaap

Als ik deze koude buien
Kon overslaan
‘s winters in een diepe slaap
In een vacht dat ik later weer af moet staan

En als jong gras zich dan laat zien
Als de eerste herinneringen tussen kleine tenen
Dan rui ik alles van me af
Dan laat ik los wat zich tot diep in mijn huid heeft genesteld
Dan broed ik op nieuwe beginnen

 

(Foto: voor onze anti-kraak boerderij in Hazerswoude-Rijndijk)

Zwanenburg

Waarschuwing: werkelijk niks van onderstaande verhaal is fictief.

Laatst ben ik in een real life Annie M.G. Schmidt versje terecht gekomen. Terwijl de trein met een eindeloze vertraging door het land sjokte hoorde ik steeds een zeer zachte stem door een intercom zeggen: ‘Dames en heren, we staan stil omdat er een zwaa%#&@ in de trein is.’ Een wat? Een zwaarbewapende man? Terwijl mijn hart ongeveer uit mijn keel bonkte en het bloed uit mijn vaten wegtrok richtte ik me tot de mensen achter mij: ‘Hoorde u toevallig wat er gezegd werd?’ De vrouw keek ogenschijnlijk rustig uit haar ogen. ‘Ja, er zit blijkbaar een zwaan in de trein.’ ‘Een zwáán?’ Ik bedankte en ging weer goed op mijn stoel zitten. Ik voelde of er minder spanning in mijn billen zat, maar de geloofwaardigheid van een zwaan in de trein was te min. Ja, dacht ik, zeker zo’n naïeve nuchtere Nederlander die zelfs in het heetst van de strijd niet gelooft dat zij ooit de dupe zou worden. Ik dacht aan alles dat me rustig kon maken: appeltaart, gebloemde kussenslopen, een flauwe grap, een zachte trui. ‘Dames en heren, excuses voor het ongemak, we proberen de zwaan onder controle te krijgen.’ Zwaan. Nu hoorde ik het echt.

Waar ik eerst nog bijna uit elkaar viel van ellende, overmeesterde mij een warm gevoel. Ik keek naar de vrouw achter mij: ‘Wat idioot dit.’ De vrouw moest lachen: ‘Hij zal wel geen kaartje gekocht hebben.’ Net voor Haarlem stopte de trein opnieuw, naast een meer. Niet veel later verscheen er een grote witte zwaan. Hij peddelde deftig – en een tikkeltje op zijn pik getrapt – door het water. Het zal toch niet… De trein kwam langzaam weer op gang en het bordje ‘Halfweg Zwanenburg’ kwam langs mijn raam. ‘Dames en heren, we hebben zojuist de zwaan te water gelaten. Met een vertraging van twintig minuten komen we aan in Haarlem.’ Ik keek naar een andere vrouw links van mij. Hoewel alle reizigers die dag bezig waren met plannen in het verschiet, werd iedereen onverhoopt teruggebracht naar zijn kindertijd.

Daarom heb ik, ter ere van Annie, er maar een versje over geschreven:

Zwanenburg

Er was vandaag een zwaan die dacht
Hoe word ik het snelst naar huis gebracht?
Mijn vleugels moe, mijn poten pijn
Ik lijk wel gek, ik pak de trein.

Hij wist precies de juiste weg
En zonder eerst wat overleg
Nam hij plaats in eerste klas
En wachtte tot het zover was

En ongeveer om kwart voor tien
Wou de conducteur zijn kaartje zien
‘Een kaartje?’ vroeg de zwaan verbaasd
‘Niet aan gedacht, want ik had haast.’

‘Het spijt me zeer, meneer de – eh – zwaan
Maar dan zult u niet verder gaan.’

De zwaan snoof razend door zijn snuit
En verhief ietwat zijn stemgeluid

‘Nou dan weet ik het goed gemaakt,’
Zei de zwaan zeer welbespraakt
‘Ik zie daar verderop een meer
Zet u mij dan daar maar neer.’

De zwaan trok snel wat veren goed
En gaf de man een straffe groet
De trein werd toen met flinke kracht
tot de stille stand gebracht.

Met een luid en vreemd gesnater
Ging de trotse zwaan te water
Hij lachte hard want wist haarfijn
Dat hij nu was waar hij moest zijn.

 

 

(Afbeelding: De bedreigde zwaan – Jan Asselijn ca. 1650)

Bier

Zoveel stukjes leven zijn niet te bevatten
Of misschien zijn dat eerder de kelders in ons kop
We gieten ze vol door onszelf te bezatten
De rotzooi die wegspoelt, dat ruimt lekker op.

 

 

 

(Afbeelding: Pieter Bruegel de Oude – de Wijn van het Sint-Maarten feest)

Eindeloos

De kat sluipt verslagen
De jaren meegedragen
In zijn stugge lijf

De tafel staat op hoge poten
Oprechte sprongen te verkloten
Onnozel tijdverdrijf

Zijn schrale schim is half vergeten
En ongeacht zijn wanhoopskreten
Is er geen mens, geen dier, geen wezen
Zijn er geen muizen, hazen, mezen
Die hem zien, noch vrezen

De kat likt zachtjes aan zijn poot
Denkt willekeurig aan de dood
Maar al zou ze komen als een zegen
Is het toch pas eentje van de negen

 

(Afbeelding: Franz Marc – Katzen auf rotem 1909)