Wim

Soms komen er in je leven mensen voorbij die jou – zonder zich ergens van bewust te zijn – bij de kladden hebben gegrepen. Daarvoor hoeven ze niet de Nobelprijs voor de vrede te hebben gewonnen. Liever niet eigenlijk, want die mensen lijken ver weg en ontoegankelijk. Als je geen kind meer bent, en je fantasiespectrum aan wat kritische vraagstukken onderhevig is geraakt, is er bij de gedachte aan hen weinig ruimte voor eigen invulling. Die paar reële helden zijn door de massa op een voetstuk gezet. Maar de helden op onze eigen voetstukjes, in de hoeken van onze slaapkamers, die zijn klein. Broos, bijna. Die weten van niks, en dat doet het ‘m nou juist.

Mijn kennismaking met Wim Brands was vrij eendimensionaal, en niet wederkerig. De verklaring hiervoor is de TV, die jaren tussen ons in stond, als een medium met eenrichtingsverkeer: hij gaf, maar zou niks terugkrijgen. Wim Brands interviewde zeer uiteenlopende schrijvers over hun onlangs verschenen boeken. De uitzending was elke zondagochtend op de buis en het gejaagde pianoriedeltje waarmee het opende zette bij ons thuis het koffiezetapparaat en de warme pan met croissantjes in stroomversnelling. Samen met mijn vader keek en luisterde ik naar schrijvers die daar zaten omdat ze iets te vertellen hadden. De ene keer was dat van meer levensbelang dan de andere keer, maar Wim wist er altijd een mooi en volledig gesprek van te maken. Het is hier, dat mijn liefde voor schrijven meer en meer werd aangewakkerd.

Of misschien was het wel meer taal an sich, waar ik van begon te houden. Het interactieve, het sociale. Want als het mij echt puur en alleen om schrijven ging, had ik de boeken van al die gerenommeerde schrijvers wel aangeschaft en uitgelezen. In plaats daarvan ging mijn interesse meer uit naar het gesprek, naar het verhaal van de schrijver: de angsten, de verlangens en de doelen. Naar het vereeuwigen van jezelf op papier. En al deze nieuwe gedachten had ik te danken aan Wim. Zijn vragen, die de makers soms overrompelde maar waarbij ze altijd op een handreiking naar een zachte landing konden rekenen. Het deed allemaal iets met me.

Wim was een man die kon lezen als een stoomtrein. Dit klinkt vrij banaal, maar dat hij elke week twee pillen moest lezen en ze nog diende te begrijpen ook vond ik van een onwerkelijk hoog concentratieniveau, een niveau waar ik al tijden naar opzoek ben maar zelfs onder invloed van Concerta nog niet heb gevonden. Wim kon goed praten en schroomde niet om daar soms wat existentiële vraagstukken tegenaan te gooien. Wim had net als ik een liefde voor taal. Ik begon me steeds meer over deze man af te vragen, want als hij zo gepassioneerd was, had hij zelf dan ook een schrijfambitie?

In een romantisch tijdperk was ik nu naar de boekhandel gelopen. Maar die romantiek leeft enkel nog in onze herinnering. Met een paar tikken op mijn toetsenbord en een finaleklap op de enter ontvouwde het oeuvre van Wim Brands zich. Eindeloos veel gedichten. Ik begon te lezen.

Ik droomde

Ik droomde over een man
die een nachtmerrie kreeg in een
concentratiekamp. Hij ontwaakte,

stond op en ging naar buiten; er brandde licht in
nog maar één barak
hij klopte

op de deur, opende die. Onder een lamp zaten
kaartende bewakers tegen wie hij zei:
ik ben zo bang.

’s Ochtends probeerde ik me voor te stellen
hoe ze keken. Ik kwam er niet uit en las
verder in de biografie over Charles Manson

aan wie een bewaker ooit vroeg: wil je ontsnappen?
Ontsnappen? antwoordde Manson,
ontsnappen? Uit wat dan?

Uit: ‘ ’s Middags zwem ik in de Noordzee’, 2014.

Hij schreef al zijn hele leven gedichten, in heldere taal. Soms leken het meer (zeer) korte verhalen, maar ze brachten precies de emotie voort waar een goed gedicht wat mij betreft aan dient te voldoen. Een golf in je buik. Mijn volgende gedachte was: waarom wist ik dit niet? Er wordt door kranten, tijdschriften en gesprekken op TV (zoals dat van Wim Brands) altijd veel aandacht besteed aan schrijvers (misschien niet genoeg, dat weet ik niet), maar van Wim’s gedichten had ik nog nooit gehoord. Zou dit de vloek van zijn rol als interviewer zijn? Zouden die dingen niet naast elkaar kunnen bestaan? Misschien.

Het was een koude dag in mei toen ik Wim voor het eerst in levenden lijve zag. Hans Heesen, mijn toenmalige studieleider aan de Filmacademie, organiseert elk jaar een voorleesmarathon waarbij schrijvers worden uitgenodigd om het epische gedicht van Herman Gorter, ‘Mei’, in etappes voor te dragen. Thuis had ik chocola geprobeerd te maken van het meest experimentele LSD-stuk van Gorter, maar was daar niet honderd procent in geslaagd. Terwijl ik hierdoor aarzelend het terrein opliep, zag ik Wim staan. Hij was in gesprek met iemand. Wenkbrauwen in één lijn, precies zoals op TV. Daar was het me wel eens opgevallen dat, hoe humoristisch de persoon tegenover hem ook was, hij zich niet snel liet kennen door een grap. Zijn mondhoeken gedroegen zich redelijk stoïcijns. Duwden altijd iets meer naar beneden dan dat ze zich naar boven lieten verleiden. Ik dacht na over zijn dagelijks leven.

Ik was die dag niet op hem afgestapt om te vertellen met hoeveel plezier ik naar hem kijk en luister op TV. Ik heb niet gezegd hoe aangenaam verrast ik was door zijn gedichten. Ik wilde een originele tekst op hem afvuren, slim zijn, indruk maken. Ik wilde zeggen wat iedereen allang tegen hem gezegd had maar dan in nieuwe bewoordingen, zodat het op een nieuwe manier bij hem binnenkwam en daardoor lading had. Maar ik kon er niet opkomen, en durfde niet. Nog voor ik Herman Gorter in labyrintische taal hardop zou herdenken, zag ik de man van klare taal voor altijd naar huis gaan.

Op 20 maart 2016 was Wim voor het laatst te zien als presentator van zijn boekenprogramma. In verband met een depressie was hij toe aan een periode van rust. Hij koos voor eeuwige rust.

Laatst, toen ik met mijn vriend door Engeland reed, luisterden we via een podcast naar een radio-interview met Wim Brands door Jurgen Maas. Hij sprak daarin over de ingewikkelde band met zijn vader, over de erkenning waar hij – zoals elk kind – altijd naar opzoek was maar nooit kreeg. Hij vertelde dat hij zich nu ook nog wel eens tekortgedaan voelt, en hoe hij daar soms mee worstelt. Zijn vader hing zichzelf op latere leeftijd op in de garage.

Met terugwerkende kracht ben ik zijn mondhoeken anders gaan interpreteren. Verklapten ze zijn somberheid? Waarom heb ik daar eigenlijk nooit aan gedacht.

Wim Brands gaf een podium aan mensen die schriftelijk in opstand kwamen, die een verhaal wilden vertellen, die iets te verwerken hadden, iets ontdekt hadden of louter zichzelf graag aan het woord hoorden. Hij luisterde aandachtig en nam elke ziel serieus. Met zijn talent voor een goed gesprek.

De man met een bevlekte jeugd, met een verstopte leiding, gaf – terwijl hij ook nog iets voor zichzelf had moeten overhouden. Maar hij liep langzaam leeg, want niemand vulde zijn voorraad aan.

Ik geef bij deze Wim mijn erkenning. Alsnog. Te laat. Zinloos. Maar toch.
Hij staat nog steeds op hetzelfde voetstuk in de hoek van mijn slaapkamer.

De jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Uit: ‘De schoenen van de buurman’, 1999.

(Afbeelding: Spine D’acacia, Guiseppe Penone, 2005)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s