Vooruit

Haar moeder heeft haar van alles geleerd maar niet dit. Ze is bijna dertig, drijft langzaam steeds verder weg van haar jeugd. De eerste zwangere vriendin is een feit. De eerste lachrimpel die niet meer wegtrekt ook.

Rechts van haar in het gangpad staat een dame. Een dame ja, want een vrouw dekt de lading niet. Haar mondhoeken verraden haar moeite met de dag, al zegt de lippenstift dat ze er anders over wil denken.

De jonge zij is moe, maar ook goed opgevoed.
‘Mevrouw, wilt u hier zitten?’ vraagt ze terwijl ze opstaat.
‘Nee hoor, gaat prima,’ antwoordt de dame vriendelijk. Haar oude vingers grijpen de stoel nog iets harder vast waardoor de pigmentvlekjes onder haar ring verschuiven.

Ze weet dat ze niet mag gluren maar haar gevoel zegt dat ze nu goed moet opletten. Niet elke voorbijganger is slechts een stofje op de lens.
Ze stelt zich voor hoe de dame vanochtend voor haar kledingkast stond. Wellicht herinnerde alleen de passpiegel haar eraan dat ze niet meer dat meisje van vroeger is. Ze denkt aan haar eigen moeder, die altijd zei dat je vanaf je vijftigste in een schemerwereld leeft waarin de binnenkant en buitenkant niet langer corresponderen.

De dame vangt een wissel op met haar benen, de hakken maken geluid. Wellicht vullen die de centimeters op die ze de afgelopen jaren heeft moeten inleveren.

Opeens krijgt de jonge zij een zwaar gevoel in haar buik. Dorst en heimwee. Alsof het hoofd en het lijf elkaar hebben losgelaten. Een diep en onbestemd verlangen zwerft ergens tussen hemel en aarde in. Ze neemt een slok van haar water.

Als ze de trein uitstapt kijkt ze nog eenmaal achterom. Een brakke student maakt aanstalten naar de vrijgekomen plek, de dame geeft ruimte. De twee hakken blijven waar ze staan. De inhoud zal morgenochtend weer uit hetzelfde bed stappen, volharden en tegemoet treden.

De jonge zij haalt opgelucht adem bij die gedachte. Ze kan enkel vooruit. Het geluid van haar eigen schoenen bemoedigt haar tred, bepaalt het timbre voor de tweede helft van haar dag.

Ze denkt aan het kloppende hart in de buik van haar vriendin.




(Afbeelding: Charley Toorop – Beemster, bloeiende boom 1943)

Libretto: Over

In 2015 schreef ik een libretto(otje) voor het Opera Forward Festival. Ik kwam het zojuist tegen in mijn documenten en dacht, laat ik het eens delen.

Het libretto is in 2016 tot leven gekomen tijdens het Opera Forward Festival in de Stopera met muziek van Rick van Veldhuizen en onder regie van Stephen Liebman.

De inspiratie was het zoveelste krantenartikel over een boot met vluchtelingen die zonk voor de kust van Italië, waarbij tientallen mensen om het leven kwamen.


Rust.

PASSAGIER:

(mijmerend)

De zon.
Oude vakantieliefdes dringen zich op
via de geur van regen op warm asfalt.
Daar is weer dat gevoel van verliefd zijn
dat op een doodnormale dag alle doodnormale dingen doet vergeten.

De vergankelijkheid van de herfst
die komt en kleurt en claimt de enige te zijn die weemoedige snaren mag raken.

Eindeloos donkere winterse ochtenden.

De lente.
Vermoeide levenden kruipen uit hun bleke dode lijven. Ze willen weer, vooruit naar onbeschreven bladzijden.

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Je bent een romanticus.
En ik vaar je weg van de kust
waar je ooit in alle rust je eerste lief hebt gekust.

PASSAGIER:

(mijmerend)

De kust,
Hij lijkt uit mij te verdwijnen.
Zie de vormen vervagen tot vervlogen tijden.

Waar gaan we heen?

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Laat mij nu de koers bepalen.
Laat het los, staak je tirade.
Durf in de eeuwigheid te verdwalen.

PASSAGIER:

(de passagier wordt wakker, spreekt tegen de schipper)

Wacht.
Jouw woorden zijn de mijne niet.
Ik spreek vanuit een diep verlangen. We moeten terug.

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Deze treurzang ken ik. Maar net als het ijzer
van mijn boot,
ben ik zo onvermurwbaar als de dood.

PASSAGIER:

(tegen schipper)

Toe, geef me nog wat tijd
om óm te kijken,
nu mijn wereld in de mist verglijdt. En de zee, van al haar gedaanten, slechts dat ene gezicht laat zien.

 

DE ZEE:

 

Van alle gezichten ben ik dat ene gezicht dat niemand wil zien. Geen glooiende golf, geen glinstering.
Niet de inspiratie voor een vastgelopen vreemdeling.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Niets prikkelt mij meer dan een vaal zwarte zee,
Het water dat doven kan, maar minstens zo flamboyant is als vuur. Dieptes dónkerder dan de zwaarte van zwart.

En soms voelt ze zo ongeloofwaardig kalm. (Al moet ik zwemmen)

DE ZEE:

(tegen passagier)

Ik voel mee met de mens die zich tegen zijn vonnis verzet. Maar vergeefse vluchtpogingen komen op mijn bodem terecht. Hoe kan ik leven met een graf zo groot en onterecht,
dat zich in het diepst van mijn wezen heeft vastgehecht.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Ik wil leven.

SCHIPPER:

(tegen de zee)

Hoe kan de zee die zulke genadeloze golven voortbrengt, zo gevoelig voor de gevolgen zijn.
Die onvoorstelbare onvoorspelbaarheid,
ik geloof niet in een zee met zelfverwijt.

 

PASSAGIER:

(mijmerend)

We moeten terug.

DE ZEE:

(tegen de schipper)

Je weet niet hoe is,
om alsmaar de controle te verliezen.
Die noodlottige karaktertrek,
waarmee ik de mooiste dagen in de lelijkste verander.

SCHIPPER:

(tegen de zee)

Ik leun op jouw humeur,
jouw ongeduldige en onverwachtse buien. jouw dagelijkse dodendans.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Al moet ik zwemmen ik ga niet wachten op de zee, de boot, het water dat mij blijft voortbewegen.
De zin van mijn leven is nog niet afgeschreven.
Al moet ik zwemmen.

De zee wordt ruwer en ruwer.

 

SCHIPPER:

Voel je dat?
De zee die niet met zichzelf in zee gaat. Zie hoe zij zichzelf met grijze golven slaat. Hou je vast.

DE ZEE:

(tegen passagier)

Mijn enige middel om jou te weerhouden, geef je over aan wat onontkoombaar is. Blijf op de boot.
Laat het leven geleidelijk uit je glijden.

Ik wil geen dodenmasker aan je slijten.

PASSAGIER:

(mijmerend bereidt de passagier zich voor op de sprong in het water)

Voor al die keren dat ik iets niet waardeerde, en mijn duizend angsten niet wist te trotseren.

DE ZEE:

(tegen passagier)

(Stop)
Blijf op de boot.

 

PASSAGIER:

(mijmerend)

Voor al die keren dat ik niet goed genoeg keek, of niet leek te weten waar ik kijken moest. Voor al die keren.

Passagier verdrinkt. De zee wordt kalm.

SCHIPPER:

Wat is dat toch met het leven,
met mijn boot,
en de zeldzaamheid van een opluchting.

Maar hoe maak je de anderen wijs, dat ik neem en niet geef.
Dat niemand de dood overleeft.

EINDE

(Schilderij: Caspar David Friedrich – ‘Monnik bij de Zee’ ca. 1808)

Thuiskomen

Afgelopen week mocht ik mee op de Lage Landen Schrijfweek van Editio. We kregen daar begeleiding bij het schrijven van een roman/theatertekst/gedicht/kort verhaal/etc. en in totaal vijf workshops van Manon Uphoff, Carmien Michels, Rutger Lemm, Thomas Verbogt en Elvis Peeters. Aan het einde van de week was het de bedoeling de door jou geschreven tekst voor te dragen voor de hele meute. 

Ik wou maar niet op gang komen. Maar op de een na laatste dag kreeg ik eindelijk iets op papier. 

Voor de liefhebbers:

THUISKOMEN

Er was een idee. Dat wel. Over een jong meisje waarvan de vader grafkistenmaker is, en hoe zij haar sterfelijkheid leert kennen wanneer ze voor het eerst in een kist van haar formaat gaat liggen. De kist is, in dit verhaal, niet voor haar bedoelt maar voor het zoontje van vrienden van haar vader. De jongen ging zwemmen, en zo geschiedde. Ik zou schrijven hoe mijn onbevangen hoofdpersoon zich langzaam in de kist zou laten zakken en met haar tenen het uiteinde kon aanraken. Ik zou dan op subtiele wijze vertellen hoe haar lach nooit meer zal zijn als vóór de kistervaring, en dat wilde ik graag uitleggen, want dat kende ik zo goed.

Bij mij kwam het iets nadat mijn oma doodging. Op mijn elfde was dat. Het was moeilijk om mijn vader zo verdrietig te zien, en ja ik begreep na het voelen van haar grijze, koude handen dat er niks was dat daar ooit nog leven in zou blazen. Maar het incasseren van dat gemis, het échte begrijpen ervan, dat kwam een week later pas.

Mijn konijn was ziek, ontzettend ziek, en ik probeerde het beestje er op allerhande manieren bovenop te krijgen. Olvarit, voorgekauwde wortels, water dat ik met een plastic spuit haar keel in dwong. Ik sprak naar haar in zachte, langwerpige woorden. Zodat ze precies in haar oren paste. Ik deed er alles aan om het onvermijdelijke te vermijden. Maar toen ik haar op een avond terug in de schuur wou zetten, begon ze nog voor ze met haar pootjes het stro raakte te spartelen en te schokken. Ik kneep in haar middenrif, wilde haar behoeden voor een val. Na een paar laatste stuiptrekkingen liet ze los. Als een bontkraagje lag ze in mijn hand. Ik schreeuwde mijn moeder de tuin in. We begroeven Zwartje in een wijnkist.

Die nacht, toen ik in mijn flanellen pyjama opgekruld in bed lag, opende er aan de binnenkant van mijn oogleden een donkere poort. Ik zag hoe mijn bejaarde konijn haar achterpoten afzette en in één sprong verdween. Weg was ze. Ik dacht na over terugkomen en terugzien. Terug, dacht ik. Kom terug. Om mijn gevoel te onderstrepen lieten mijn zintuigen mij het hele konijn opnieuw ervaren. Haar zoete, zachte vacht. Hoe ik altijd mijn neus tussen haar twee oren duwde. Ik rook dan de geur van stro, het gras van de tuin, de kou of juist de zon, ze was als een geurbuiltje dat de dag had verzameld. Ik dacht aan haar konijnenwimpers, boven die kraalogen waar ik als kind betekenissen in legde die me op dat moment goed uitkwamen. En ik zag ook die middag voor me dat ze mijn moeder aanviel in de tuin, hoe ze met haar tanden in haar been hing, krijsend, en hoe mijn moeder en ik het haar meteen vergaven. Het was vast dat ene trauma, zeiden we tegen elkaar, dat ze als babykonijn had opgelopen. Het was te verwachten dat dat ooit zijn weg naar buiten zou vinden. Terwijl het bloed uit de wond in de sandaal van mijn moeder sijpelde, keken we vertederd naar het arme beest.

De donkere poort die zich ontwaarde voor mijn oogleden, was via de oppervlakte van mijn huid, mijn adem ingedrongen, en had met een mokerslag mijn buik bereikt. Ik schoot overeind. De kraalogen, de vacht, het kleine pluimstaartje, de lentesprongen, de kraalogen, de vacht. Dit alles lag nu onder de grond, waardeloos te wezen. In een oude wijnkist die gewoon in de kachel had gemoeten. De gil die ik toen slaakte klonk anders dan eerder die dag. Net als Simba, die zijn onnozele welpengrommetje verloor toen zijn vader overleed. Toen pas kon hij de plek aanraken waar die diepe grom, die grom die er écht toe doet, verscholen zat.

Die nacht zaten mijn ouders een paar uur aan mijn bed, en probeerden ze mijn nieuwe inzichten van hun scherpe randjes te ontdoen. Maar ze hadden geen woorden van troost. De tijd van konijnenhemels was inmiddels gepasseerd, maar het abstracte van de dood was misschien ook weer te veel om te verkroppen. Ik herinner me nog goed de blikken in hun ogen: beduusd. Berouwvol bijna. Ze gaven me het leven en ik kreeg de dood cadeau. Ik dacht aan mijn oma’s dunne lippen op mijn wang.

Ik wou niet schrijven over mezelf deze week. Ik wou juist de kern van dit verhaal verplaatsen naar een ander perspectief. En dan iets met kisten er tegenaan gooien. Maar dat lag er weer te dik bovenop en bovendien heb ik een hele dag verspild aan het verdiepen in houtsoorten. De verkeerde manier van research. Escapisme noemen ze dat.

Ik ben deze week vijf verschillende schrijvers geweest en daardoor kreeg ik geen woord op papier. Ik kwam hier puur en alleen om me te laten inspireren, maar halverwege de week stak de ambitie de kop op. Toen ik na een kortstondige identiteitscrisis alles weer losliet kon ik gister eindelijk iets opschrijven. Ik was weer bij mezelf uitgekomen. Daar waar ik me thuis voel.

“Thuiskomen,” vertelde Thomas Verbogt ons, “daar doen we heel gemakkelijk over, maar het is nogal wat dat we dat kunnen.”

(Afbeelding: Window-Sill, Lugano 1923, Winifred Nicholson)

Emotieloos

Haar broer wil emotieloos door het leven. Om te duiden waar hij het precies over heeft moeten we even terug naar de allereerste tekenen van een mensenleven. Dus ga maar even zitten.

We worden geboren en zijn direct gezegend met allerhande zintuigen en handige lichamelijke onderdelen. Om te zien (waar de borst is), om te voelen (waar de borst is) en om te horen. Naarmate we een jaartje ouder worden, en we voorzichtig voortschrijden op twee slappe benen, krijgen we te maken met moeilijkheden. De eerste problemen kondigen zich aan, wanneer de kleine, overheerlijke bubbel met ons mam, doorgeprikt lijkt te raken door gevaar van buitenaf. Bijvoorbeeld in de gedaante van andere kinderen. Zij willen met hun vreemde taal iets, iets van jou meestal. Ze kijken je aan, bewegen zich naar je toe en plegen daarmee inbreuk op jouw gemoedelijke leventje. Maar omdat je twee armen hebt gekregen is de oplossing vrij dichtbij: je zwengelt vanuit je schouder een van die twee dingen naar achteren om het vervolgens – met iets meer energie – vooruit te bewegen, richting het hoofd van de vijand. Vaak begint de andere partij dan aan een onnoemelijk grote huilbui, maar het gekke is: het doet je niks. Er is geen greintje gevoel dat daarbij komt kijken. Totdat je moeder door haar knieën gaat en zegt: ‘Lieve schat, dat mag je echt nooit meer doen, dat vindt mama niet leuk.’

Je hart breekt doormidden, de koningin heeft gesproken en een vreemde prikkeling beweegt zich vanuit je hoofd naar je ogen. Je hebt dit wel eens eerder gevoeld, maar de herinnering daaraan is ver te zoeken. Je gaat met je handen over je natte wangen, begrijpt niet dat het zover heeft moeten komen. Een heet gevoel stijgt naar je hoofd. Je kijkt om je heen of de dader in kwestie nog in de buurt is: maar het beest is al afgedropen. Er is niks meer aan te doen. Vanaf nu ben je gedoemd als mens: de emotie heeft zich genesteld in de diepste krochten van je zijn. En het was zíjn schuld. Hoe zacht zou het zijn om je nooit meer zo te voelen.

Dus je wordt ouder en sterker, en zelfs die heldere ogen van je moeder raken je niet meer zo diep als een paar jaar geleden. Je besluit om dat moment van vroeger uit je lijf te bannen, die herinnering die de rest van je leven eigenlijk alleen maar ingewikkeld maakte. ‘Emotie is als de geur van Franse kaas,’ schrijf je in je dagboek, ‘het leidt ons af van het doel op dat specifieke moment. Zoeken we naar iets in de koelkast, dan vragen we ons af waar die stank vandaan komt. Proberen we een gesprek te volgen, raken we afgeleid vanwege die stinkende druipende camembert op het tafelkleed van een zomers tafereel. En verzuip je in de dieptes van je eigen sores dan ben je zelf de Franse kaas, en blijft iedereen het liefste uit je buurt. Want een camembertje op zijn tijd zou geen probleem moeten zijn, als ie daarna maar weer in het zakje verdwijnt.’ Je kijkt trots naar je diepgaande, haast filosofische bevindingen en sluit het boek, om je emotieloze dag te vervolgen.

Je gaat langs je moeder, en zij omhelst jou. Je voelt wat warmte omdat het je die dag goed uitkomt, maar zodra ze begint over boodschappen doen laat je alle emoties varen om zo droog mogelijk tot een uitkomst te komen. Je gaat langs je vader, en hij omhelst jou. Je voelt eigenlijk weinig omdat je een tijd geleden al besloten hebt niks meer te voelen bij iemand die wellicht teveel voelt, want als we allemaal de hele dag alleen maar heel veel voelen dan stort de wereld nog in. Je gaat langs je broer en hij zegt je gedag, je vindt het prettig om de afstand te bewaren want soms zijn dingen ingewikkeld en zodra dingen echt ingewikkeld dreigen te worden is het makkelijker om daar vooral geen emotie bij te voelen, anders zijn we nog verder van huis. Je gaat langs je zus en zij omhelst jou en je vindt het fijn dat ze zo’n gezellig persoon is dus je neemt plaats op bij haar aan tafel en jullie drinken een gezellige kop gezellige koffie. Maar zoals altijd bij jongelingen is er problematiek, met de wereld om de jongeling heen of met de wereld die zich binnenin de jongeling bevindt. Terwijl je oplossingen voor haar op tafel legt zie je tegenover jou het drama plaatsvinden: de berg.

Een berg emotie, groter dan ooit tevoren, ligt op haar hoofd. Als ze nou heel even stil blijft zitten… Je beweegt je arm naar achteren, net als vroeger – en ramt die berg zo hard mogelijk van haar hoofd. Want dan, dan is de oplossing dichtbij! Maar de berg zit vast en de jongeling valt pardoes van haar stoel af. Ze krabbelt overeind en zegt: ‘Ben je nou helemaal gek geworden!’. Maar jij bedoelde het goed. Je wist misschien niet dat emoties vastzitten aan de mens maar je weet godverdomme nog wel wat liefde is, dus als ze maar niet denkt dat ze dat van je af kan nemen. Je helpt haar op haar stoel en zegt met lood in je schoenen: ‘sorry’. De jongeling kijkt ernstig jouw kant op, want ze kent je langer dan vandaag maar soms lijkt het net de Da Vinci code daarbinnen. Jullie blik verplaatst naar het raam, want achter het raam is de lucht grijs en zijn de huizen donker. De regen valt slap uit de hemel, als een emotieloze herfstdag in een dood land. Breitnerachtige toestanden nestelen zich in je hoofd. Kleurrijke gedachten in je kop lopen leeg, en zware zwarte inkt blijft over. Je weet niet waar je heen moet. Het weten is even net zo ongrijpbaar als het niet weten. Je kijkt naar de jongeling. Je verwacht moeilijkheden maar ze lacht. Ze lacht met een berg emotie op haar hoofd.

En terwijl de wereld als een onopgeloste Rubik’s Cube in je buik blijft rommelen, lach je mee. Je snapt eigenlijk niet waarom. Je weet alleen dat er nu iets zachts gebeurt daarbinnen, alsof er een veertje in een graftempel valt. Geruisloos, geluidloos, gemoedelijk, goed. De jongeling zegt: ‘Brombeer’, en terwijl je overweegt om daar tegenin te gaan, lijkt je dit een mooi moment om niks te voelen. Je kijkt nog eens naar buiten, drinkt van je koffie en voelt mee met de emotieloze regenbui die druilerig de daken raakt.

 

 

 

(Afbeelding: Amadeo Modigliani – Iris Tree)

Zij bepaalt

Het was een lamlendig warme zondag waarop ik met een goede vriendin aan het bier belandde op een terras. Wat begon met één, werd twee, werd drie. Je kent het wel.

Met mijn hoofd in een soort wattige wereld ging ik naar het station, hongerig, dus net op het allerlaatste moment trok ik een kaassouflé uit de muur. De odeur van de kaassouflé en mijn wellicht ietwat bierige aura deden mij besluiten om in de instapcoupé te blijven zitten. Dus daar zat ik, naast vijf fietsen op een uitklapstoeltje, niet wetende dat ik zo een adolescente regenwolk was binnengevallen.

Een jongen en een meisje, zo rond de twintig, hebben ruzie. Nou vooral het meisje: boos, huilen, haar rug toekeren terwijl ze zich klein gemaakt heeft en zo met een gesloten houding op de trap zit. De jongen staat in de hoek bij de treindeur, weet zich geen raad, denkt na en wil proberen. Dus hij aait, maar zij beweegt niet mee, duwt zijn hand weg en roept: “Hou op! Laat me met rust!”. De jongen kijkt paniekerig om zich heen. Ik eet van mijn kaassouflé, zo zachtjes mogelijk, ik wil niks veranderen aan wat zich afspeelt. De jongen bedenkt wat zijn volgende stap is. Hij geeft niet op, wil niet opgeven, en doet een nieuwe poging. Hij gaat naast haar zitten, aait haar en zij legt eindelijk haar hoofd op zijn schouder. Dan opeens, heel veel Chineze toeristen, uit alle hoeken en gaten, komen binnen, vallen in sferen. Zij schrikt, reageert af en duwt haar verliefdheid weer de verkeerde kant op: “Ga weg!”. De jongen gaat weg, maar begint de betekenis van die zin steeds minder goed te begrijpen. Ik eet weer van mijn kaassouflé, timide, bekend met het concept waar ze doorheen gaan maar niet meer in staat om het honderd procent te begrijpen. Chinezen weg. Technische storing. Kaassouflé op. Meisje nog steeds gesloten. De jongen kijkt of iedereen weg is (ben ik doorzichtig?) en gaat het nog eens proberen. Hij gaat naast haar zitten. Raakt haar niet aan. Maar vraagt. Iets. Zij begint te praten, probeert uit te leggen hoe ze zich voelt. Eindelijk. Zoveel belangrijker dan een hoofd op een schouder. De jongen zegt sorry, weet zelf waarschijnlijk niet waarom en baalt van de onterechtheid ervan, maar het werkt en dat is het belangrijkste. Ze lacht. De trein rijdt. Ze smelt nog meer. Haar bui is in beweging gezet. Ze leeft weer.

Ik wil iets tegen ze zeggen, ze feliciteren met de zoveelste overwinning. Maar dat zou gek zijn. In plaats daarvan ben ik dankbaar dat ik als stille getuige door dit abstracte schilderij mocht lopen. Voldaan veeg ik de kruimels van mijn wang. Het meisje kust de jongen. En, uiteraard, bepaalt zij hoe lang die duurt.

 

Zij bepaalt
Hoe lang de kus duurt

Al zou ik nog zo graag willen wegdromen als
Indutten terwijl
Verdrinken in een zoete gedachten wanneer

Al zou ik ons willen voorstellen als
We oud zijn
Gelukkig
Ongelukkig
Of heel alleen

Al zou ik willen verdwijnen terwijl
Of voor eeuwig blijven in

Zij bepaalt hoe lang
En dat is nooit lang genoeg om

 

 

 

(Afbeelding: de Stijl)

Zwanenburg

Waarschuwing: werkelijk niks van onderstaande verhaal is fictief.

Laatst ben ik in een real life Annie M.G. Schmidt versje terecht gekomen. Terwijl de trein met een eindeloze vertraging door het land sjokte hoorde ik steeds een zeer zachte stem door een intercom zeggen: ‘Dames en heren, we staan stil omdat er een zwaa%#&@ in de trein is.’ Een wat? Een zwaarbewapende man? Terwijl mijn hart ongeveer uit mijn keel bonkte en het bloed uit mijn vaten wegtrok richtte ik me tot de mensen achter mij: ‘Hoorde u toevallig wat er gezegd werd?’ De vrouw keek ogenschijnlijk rustig uit haar ogen. ‘Ja, er zit blijkbaar een zwaan in de trein.’ ‘Een zwáán?’ Ik bedankte en ging weer goed op mijn stoel zitten. Ik voelde of er minder spanning in mijn billen zat, maar de geloofwaardigheid van een zwaan in de trein was te min. Ja, dacht ik, zeker zo’n naïeve nuchtere Nederlander die zelfs in het heetst van de strijd niet gelooft dat zij ooit de dupe zou worden. Ik dacht aan alles dat me rustig kon maken: appeltaart, gebloemde kussenslopen, een flauwe grap, een zachte trui. ‘Dames en heren, excuses voor het ongemak, we proberen de zwaan onder controle te krijgen.’ Zwaan. Nu hoorde ik het echt.

Waar ik eerst nog bijna uit elkaar viel van ellende, overmeesterde mij een warm gevoel. Ik keek naar de vrouw achter mij: ‘Wat idioot dit.’ De vrouw moest lachen: ‘Hij zal wel geen kaartje gekocht hebben.’ Net voor Haarlem stopte de trein opnieuw, naast een meer. Niet veel later verscheen er een grote witte zwaan. Hij peddelde deftig – en een tikkeltje op zijn pik getrapt – door het water. Het zal toch niet… De trein kwam langzaam weer op gang en het bordje ‘Halfweg Zwanenburg’ kwam langs mijn raam. ‘Dames en heren, we hebben zojuist de zwaan te water gelaten. Met een vertraging van twintig minuten komen we aan in Haarlem.’ Ik keek naar een andere vrouw links van mij. Hoewel alle reizigers die dag bezig waren met plannen in het verschiet, werd iedereen onverhoopt teruggebracht naar zijn kindertijd.

Daarom heb ik, ter ere van Annie, er maar een versje over geschreven:

Zwanenburg

Er was vandaag een zwaan die dacht
Hoe word ik het snelst naar huis gebracht?
Mijn vleugels moe, mijn poten pijn
Ik lijk wel gek, ik pak de trein.

Hij wist precies de juiste weg
En zonder eerst wat overleg
Nam hij plaats in eerste klas
En wachtte tot het zover was

En ongeveer om kwart voor tien
Wou de conducteur zijn kaartje zien
‘Een kaartje?’ vroeg de zwaan verbaasd
‘Niet aan gedacht, want ik had haast.’

‘Het spijt me zeer, meneer de – eh – zwaan
Maar dan zult u niet verder gaan.’

De zwaan snoof razend door zijn snuit
En verhief ietwat zijn stemgeluid

‘Nou dan weet ik het goed gemaakt,’
Zei de zwaan zeer welbespraakt
‘Ik zie daar verderop een meer
Zet u mij dan daar maar neer.’

De zwaan trok snel wat veren goed
En gaf de man een straffe groet
De trein werd toen met flinke kracht
tot de stille stand gebracht.

Met een luid en vreemd gesnater
Ging de trotse zwaan te water
Hij lachte hard want wist haarfijn
Dat hij nu was waar hij moest zijn.

 

 

(Afbeelding: De bedreigde zwaan – Jan Asselijn ca. 1650)