Thuiskomen

Afgelopen week mocht ik mee op de Lage Landen Schrijfweek van Editio. We kregen daar begeleiding bij het schrijven van een roman/theatertekst/gedicht/kort verhaal/etc. en in totaal vijf workshops van Manon Uphoff, Carmien Michels, Rutger Lemm, Thomas Verbogt en Elvis Peeters. Aan het einde van de week was het de bedoeling de door jou geschreven tekst voor te dragen voor de hele meute. 

Ik wou maar niet op gang komen. Maar op de een na laatste dag kreeg ik eindelijk iets op papier. 

Voor de liefhebbers:

THUISKOMEN

Er was een idee. Dat wel. Over een jong meisje waarvan de vader grafkistenmaker is, en hoe zij haar sterfelijkheid leert kennen wanneer ze voor het eerst in een kist van haar formaat gaat liggen. De kist is, in dit verhaal, niet voor haar bedoelt maar voor het zoontje van vrienden van haar vader. De jongen ging zwemmen, en zo geschiedde. Ik zou schrijven hoe mijn onbevangen hoofdpersoon zich langzaam in de kist zou laten zakken en met haar tenen het uiteinde kon aanraken. Ik zou dan op subtiele wijze vertellen hoe haar lach nooit meer zal zijn als vóór de kistervaring, en dat wilde ik graag uitleggen, want dat kende ik zo goed.

Bij mij kwam het iets nadat mijn oma doodging. Op mijn elfde was dat. Het was moeilijk om mijn vader zo verdrietig te zien, en ja ik begreep na het voelen van haar grijze, koude handen dat er niks was dat daar ooit nog leven in zou blazen. Maar het incasseren van dat gemis, het échte begrijpen ervan, dat kwam een week later pas.

Mijn konijn was ziek, ontzettend ziek, en ik probeerde het beestje er op allerhande manieren bovenop te krijgen. Olvarit, voorgekauwde wortels, water dat ik met een plastic spuit haar keel in dwong. Ik sprak naar haar in zachte, langwerpige woorden. Zodat ze precies in haar oren paste. Ik deed er alles aan om het onvermijdelijke te vermijden. Maar toen ik haar op een avond terug in de schuur wou zetten, begon ze nog voor ze met haar pootjes het stro raakte te spartelen en te schokken. Ik kneep in haar middenrif, wilde haar behoeden voor een val. Na een paar laatste stuiptrekkingen liet ze los. Als een bontkraagje lag ze in mijn hand. Ik schreeuwde mijn moeder de tuin in. We begroeven Zwartje in een wijnkist.

Die nacht, toen ik in mijn flanellen pyjama opgekruld in bed lag, opende er aan de binnenkant van mijn oogleden een donkere poort. Ik zag hoe mijn bejaarde konijn haar achterpoten afzette en in één sprong verdween. Weg was ze. Ik dacht na over terugkomen en terugzien. Terug, dacht ik. Kom terug. Om mijn gevoel te onderstrepen lieten mijn zintuigen mij het hele konijn opnieuw ervaren. Haar zoete, zachte vacht. Hoe ik altijd mijn neus tussen haar twee oren duwde. Ik rook dan de geur van stro, het gras van de tuin, de kou of juist de zon, ze was als een geurbuiltje dat de dag had verzameld. Ik dacht aan haar konijnenwimpers, boven die kraalogen waar ik als kind betekenissen in legde die me op dat moment goed uitkwamen. En ik zag ook die middag voor me dat ze mijn moeder aanviel in de tuin, hoe ze met haar tanden in haar been hing, krijsend, en hoe mijn moeder en ik het haar meteen vergaven. Het was vast dat ene trauma, zeiden we tegen elkaar, dat ze als babykonijn had opgelopen. Het was te verwachten dat dat ooit zijn weg naar buiten zou vinden. Terwijl het bloed uit de wond in de sandaal van mijn moeder sijpelde, keken we vertederd naar het arme beest.

De donkere poort die zich ontwaarde voor mijn oogleden, was via de oppervlakte van mijn huid, mijn adem ingedrongen, en had met een mokerslag mijn buik bereikt. Ik schoot overeind. De kraalogen, de vacht, het kleine pluimstaartje, de lentesprongen, de kraalogen, de vacht. Dit alles lag nu onder de grond, waardeloos te wezen. In een oude wijnkist die gewoon in de kachel had gemoeten. De gil die ik toen slaakte klonk anders dan eerder die dag. Net als Simba, die zijn onnozele welpengrommetje verloor toen zijn vader overleed. Toen pas kon hij de plek aanraken waar die diepe grom, die grom die er écht toe doet, verscholen zat.

Die nacht zaten mijn ouders een paar uur aan mijn bed, en probeerden ze mijn nieuwe inzichten van hun scherpe randjes te ontdoen. Maar ze hadden geen woorden van troost. De tijd van konijnenhemels was inmiddels gepasseerd, maar het abstracte van de dood was misschien ook weer te veel om te verkroppen. Ik herinner me nog goed de blikken in hun ogen: beduusd. Berouwvol bijna. Ze gaven me het leven en ik kreeg de dood cadeau. Ik dacht aan mijn oma’s dunne lippen op mijn wang.

Ik wou niet schrijven over mezelf deze week. Ik wou juist de kern van dit verhaal verplaatsen naar een ander perspectief. En dan iets met kisten er tegenaan gooien. Maar dat lag er weer te dik bovenop en bovendien heb ik een hele dag verspild aan het verdiepen in houtsoorten. De verkeerde manier van research. Escapisme noemen ze dat.

Ik ben deze week vijf verschillende schrijvers geweest en daardoor kreeg ik geen woord op papier. Ik kwam hier puur en alleen om me te laten inspireren, maar halverwege de week stak de ambitie de kop op. Toen ik na een kortstondige identiteitscrisis alles weer losliet kon ik gister eindelijk iets opschrijven. Ik was weer bij mezelf uitgekomen. Daar waar ik me thuis voel.

“Thuiskomen,” vertelde Thomas Verbogt ons, “daar doen we heel gemakkelijk over, maar het is nogal wat dat we dat kunnen.”

(Afbeelding: Window-Sill, Lugano 1923, Winifred Nicholson)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s