Vooruit

Haar moeder heeft haar van alles geleerd maar niet dit. Ze is bijna dertig, drijft langzaam steeds verder weg van haar jeugd. De eerste zwangere vriendin is een feit. De eerste lachrimpel die niet meer wegtrekt ook.

Rechts van haar in het gangpad staat een dame. Een dame ja, want een vrouw dekt de lading niet. Haar mondhoeken verraden haar moeite met de dag, al zegt de lippenstift dat ze er anders over wil denken.

De jonge zij is moe, maar ook goed opgevoed.
‘Mevrouw, wilt u hier zitten?’ vraagt ze terwijl ze opstaat.
‘Nee hoor, gaat prima,’ antwoordt de dame vriendelijk. Haar oude vingers grijpen de stoel nog iets harder vast waardoor de pigmentvlekjes onder haar ring verschuiven.

Ze weet dat ze niet mag gluren maar haar gevoel zegt dat ze nu goed moet opletten. Niet elke voorbijganger is slechts een stofje op de lens.
Ze stelt zich voor hoe de dame vanochtend voor haar kledingkast stond. Wellicht herinnerde alleen de passpiegel haar eraan dat ze niet meer dat meisje van vroeger is. Ze denkt aan haar eigen moeder, die altijd zei dat je vanaf je vijftigste in een schemerwereld leeft waarin de binnenkant en buitenkant niet langer corresponderen.

De dame vangt een wissel op met haar benen, de hakken maken geluid. Wellicht vullen die de centimeters op die ze de afgelopen jaren heeft moeten inleveren.

Opeens krijgt de jonge zij een zwaar gevoel in haar buik. Dorst en heimwee. Alsof het hoofd en het lijf elkaar hebben losgelaten. Een diep en onbestemd verlangen zwerft ergens tussen hemel en aarde in. Ze neemt een slok van haar water.

Als ze de trein uitstapt kijkt ze nog eenmaal achterom. Een brakke student maakt aanstalten naar de vrijgekomen plek, de dame geeft ruimte. De twee hakken blijven waar ze staan. De inhoud zal morgenochtend weer uit hetzelfde bed stappen, volharden en tegemoet treden.

De jonge zij haalt opgelucht adem bij die gedachte. Ze kan enkel vooruit. Het geluid van haar eigen schoenen bemoedigt haar tred, bepaalt het timbre voor de tweede helft van haar dag.

Ze denkt aan het kloppende hart in de buik van haar vriendin.




(Afbeelding: Charley Toorop – Beemster, bloeiende boom 1943)

Libretto: Over

In 2015 schreef ik een libretto(otje) voor het Opera Forward Festival. Ik kwam het zojuist tegen in mijn documenten en dacht, laat ik het eens delen.

Het libretto is in 2016 tot leven gekomen tijdens het Opera Forward Festival in de Stopera met muziek van Rick van Veldhuizen en onder regie van Stephen Liebman.

De inspiratie was het zoveelste krantenartikel over een boot met vluchtelingen die zonk voor de kust van Italië, waarbij tientallen mensen om het leven kwamen.


Rust.

PASSAGIER:

(mijmerend)

De zon.
Oude vakantieliefdes dringen zich op
via de geur van regen op warm asfalt.
Daar is weer dat gevoel van verliefd zijn
dat op een doodnormale dag alle doodnormale dingen doet vergeten.

De vergankelijkheid van de herfst
die komt en kleurt en claimt de enige te zijn die weemoedige snaren mag raken.

Eindeloos donkere winterse ochtenden.

De lente.
Vermoeide levenden kruipen uit hun bleke dode lijven. Ze willen weer, vooruit naar onbeschreven bladzijden.

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Je bent een romanticus.
En ik vaar je weg van de kust
waar je ooit in alle rust je eerste lief hebt gekust.

PASSAGIER:

(mijmerend)

De kust,
Hij lijkt uit mij te verdwijnen.
Zie de vormen vervagen tot vervlogen tijden.

Waar gaan we heen?

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Laat mij nu de koers bepalen.
Laat het los, staak je tirade.
Durf in de eeuwigheid te verdwalen.

PASSAGIER:

(de passagier wordt wakker, spreekt tegen de schipper)

Wacht.
Jouw woorden zijn de mijne niet.
Ik spreek vanuit een diep verlangen. We moeten terug.

SCHIPPER:

(tegen passagier)

Deze treurzang ken ik. Maar net als het ijzer
van mijn boot,
ben ik zo onvermurwbaar als de dood.

PASSAGIER:

(tegen schipper)

Toe, geef me nog wat tijd
om óm te kijken,
nu mijn wereld in de mist verglijdt. En de zee, van al haar gedaanten, slechts dat ene gezicht laat zien.

 

DE ZEE:

 

Van alle gezichten ben ik dat ene gezicht dat niemand wil zien. Geen glooiende golf, geen glinstering.
Niet de inspiratie voor een vastgelopen vreemdeling.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Niets prikkelt mij meer dan een vaal zwarte zee,
Het water dat doven kan, maar minstens zo flamboyant is als vuur. Dieptes dónkerder dan de zwaarte van zwart.

En soms voelt ze zo ongeloofwaardig kalm. (Al moet ik zwemmen)

DE ZEE:

(tegen passagier)

Ik voel mee met de mens die zich tegen zijn vonnis verzet. Maar vergeefse vluchtpogingen komen op mijn bodem terecht. Hoe kan ik leven met een graf zo groot en onterecht,
dat zich in het diepst van mijn wezen heeft vastgehecht.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Ik wil leven.

SCHIPPER:

(tegen de zee)

Hoe kan de zee die zulke genadeloze golven voortbrengt, zo gevoelig voor de gevolgen zijn.
Die onvoorstelbare onvoorspelbaarheid,
ik geloof niet in een zee met zelfverwijt.

 

PASSAGIER:

(mijmerend)

We moeten terug.

DE ZEE:

(tegen de schipper)

Je weet niet hoe is,
om alsmaar de controle te verliezen.
Die noodlottige karaktertrek,
waarmee ik de mooiste dagen in de lelijkste verander.

SCHIPPER:

(tegen de zee)

Ik leun op jouw humeur,
jouw ongeduldige en onverwachtse buien. jouw dagelijkse dodendans.

PASSAGIER:

(mijmerend)

Al moet ik zwemmen ik ga niet wachten op de zee, de boot, het water dat mij blijft voortbewegen.
De zin van mijn leven is nog niet afgeschreven.
Al moet ik zwemmen.

De zee wordt ruwer en ruwer.

 

SCHIPPER:

Voel je dat?
De zee die niet met zichzelf in zee gaat. Zie hoe zij zichzelf met grijze golven slaat. Hou je vast.

DE ZEE:

(tegen passagier)

Mijn enige middel om jou te weerhouden, geef je over aan wat onontkoombaar is. Blijf op de boot.
Laat het leven geleidelijk uit je glijden.

Ik wil geen dodenmasker aan je slijten.

PASSAGIER:

(mijmerend bereidt de passagier zich voor op de sprong in het water)

Voor al die keren dat ik iets niet waardeerde, en mijn duizend angsten niet wist te trotseren.

DE ZEE:

(tegen passagier)

(Stop)
Blijf op de boot.

 

PASSAGIER:

(mijmerend)

Voor al die keren dat ik niet goed genoeg keek, of niet leek te weten waar ik kijken moest. Voor al die keren.

Passagier verdrinkt. De zee wordt kalm.

SCHIPPER:

Wat is dat toch met het leven,
met mijn boot,
en de zeldzaamheid van een opluchting.

Maar hoe maak je de anderen wijs, dat ik neem en niet geef.
Dat niemand de dood overleeft.

EINDE

(Schilderij: Caspar David Friedrich – ‘Monnik bij de Zee’ ca. 1808)

Thuiskomen

Afgelopen week mocht ik mee op de Lage Landen Schrijfweek van Editio. We kregen daar begeleiding bij het schrijven van een roman/theatertekst/gedicht/kort verhaal/etc. en in totaal vijf workshops van Manon Uphoff, Carmien Michels, Rutger Lemm, Thomas Verbogt en Elvis Peeters. Aan het einde van de week was het de bedoeling de door jou geschreven tekst voor te dragen voor de hele meute. 

Ik wou maar niet op gang komen. Maar op de een na laatste dag kreeg ik eindelijk iets op papier. 

Voor de liefhebbers:

THUISKOMEN

Er was een idee. Dat wel. Over een jong meisje waarvan de vader grafkistenmaker is, en hoe zij haar sterfelijkheid leert kennen wanneer ze voor het eerst in een kist van haar formaat gaat liggen. De kist is, in dit verhaal, niet voor haar bedoelt maar voor het zoontje van vrienden van haar vader. De jongen ging zwemmen, en zo geschiedde. Ik zou schrijven hoe mijn onbevangen hoofdpersoon zich langzaam in de kist zou laten zakken en met haar tenen het uiteinde kon aanraken. Ik zou dan op subtiele wijze vertellen hoe haar lach nooit meer zal zijn als vóór de kistervaring, en dat wilde ik graag uitleggen, want dat kende ik zo goed.

Bij mij kwam het iets nadat mijn oma doodging. Op mijn elfde was dat. Het was moeilijk om mijn vader zo verdrietig te zien, en ja ik begreep na het voelen van haar grijze, koude handen dat er niks was dat daar ooit nog leven in zou blazen. Maar het incasseren van dat gemis, het échte begrijpen ervan, dat kwam een week later pas.

Mijn konijn was ziek, ontzettend ziek, en ik probeerde het beestje er op allerhande manieren bovenop te krijgen. Olvarit, voorgekauwde wortels, water dat ik met een plastic spuit haar keel in dwong. Ik sprak naar haar in zachte, langwerpige woorden. Zodat ze precies in haar oren paste. Ik deed er alles aan om het onvermijdelijke te vermijden. Maar toen ik haar op een avond terug in de schuur wou zetten, begon ze nog voor ze met haar pootjes het stro raakte te spartelen en te schokken. Ik kneep in haar middenrif, wilde haar behoeden voor een val. Na een paar laatste stuiptrekkingen liet ze los. Als een bontkraagje lag ze in mijn hand. Ik schreeuwde mijn moeder de tuin in. We begroeven Zwartje in een wijnkist.

Die nacht, toen ik in mijn flanellen pyjama opgekruld in bed lag, opende er aan de binnenkant van mijn oogleden een donkere poort. Ik zag hoe mijn bejaarde konijn haar achterpoten afzette en in één sprong verdween. Weg was ze. Ik dacht na over terugkomen en terugzien. Terug, dacht ik. Kom terug. Om mijn gevoel te onderstrepen lieten mijn zintuigen mij het hele konijn opnieuw ervaren. Haar zoete, zachte vacht. Hoe ik altijd mijn neus tussen haar twee oren duwde. Ik rook dan de geur van stro, het gras van de tuin, de kou of juist de zon, ze was als een geurbuiltje dat de dag had verzameld. Ik dacht aan haar konijnenwimpers, boven die kraalogen waar ik als kind betekenissen in legde die me op dat moment goed uitkwamen. En ik zag ook die middag voor me dat ze mijn moeder aanviel in de tuin, hoe ze met haar tanden in haar been hing, krijsend, en hoe mijn moeder en ik het haar meteen vergaven. Het was vast dat ene trauma, zeiden we tegen elkaar, dat ze als babykonijn had opgelopen. Het was te verwachten dat dat ooit zijn weg naar buiten zou vinden. Terwijl het bloed uit de wond in de sandaal van mijn moeder sijpelde, keken we vertederd naar het arme beest.

De donkere poort die zich ontwaarde voor mijn oogleden, was via de oppervlakte van mijn huid, mijn adem ingedrongen, en had met een mokerslag mijn buik bereikt. Ik schoot overeind. De kraalogen, de vacht, het kleine pluimstaartje, de lentesprongen, de kraalogen, de vacht. Dit alles lag nu onder de grond, waardeloos te wezen. In een oude wijnkist die gewoon in de kachel had gemoeten. De gil die ik toen slaakte klonk anders dan eerder die dag. Net als Simba, die zijn onnozele welpengrommetje verloor toen zijn vader overleed. Toen pas kon hij de plek aanraken waar die diepe grom, die grom die er écht toe doet, verscholen zat.

Die nacht zaten mijn ouders een paar uur aan mijn bed, en probeerden ze mijn nieuwe inzichten van hun scherpe randjes te ontdoen. Maar ze hadden geen woorden van troost. De tijd van konijnenhemels was inmiddels gepasseerd, maar het abstracte van de dood was misschien ook weer te veel om te verkroppen. Ik herinner me nog goed de blikken in hun ogen: beduusd. Berouwvol bijna. Ze gaven me het leven en ik kreeg de dood cadeau. Ik dacht aan mijn oma’s dunne lippen op mijn wang.

Ik wou niet schrijven over mezelf deze week. Ik wou juist de kern van dit verhaal verplaatsen naar een ander perspectief. En dan iets met kisten er tegenaan gooien. Maar dat lag er weer te dik bovenop en bovendien heb ik een hele dag verspild aan het verdiepen in houtsoorten. De verkeerde manier van research. Escapisme noemen ze dat.

Ik ben deze week vijf verschillende schrijvers geweest en daardoor kreeg ik geen woord op papier. Ik kwam hier puur en alleen om me te laten inspireren, maar halverwege de week stak de ambitie de kop op. Toen ik na een kortstondige identiteitscrisis alles weer losliet kon ik gister eindelijk iets opschrijven. Ik was weer bij mezelf uitgekomen. Daar waar ik me thuis voel.

“Thuiskomen,” vertelde Thomas Verbogt ons, “daar doen we heel gemakkelijk over, maar het is nogal wat dat we dat kunnen.”

(Afbeelding: Window-Sill, Lugano 1923, Winifred Nicholson)

Wim

Soms komen er in je leven mensen voorbij die jou – zonder zich ergens van bewust te zijn – bij de kladden hebben gegrepen. Daarvoor hoeven ze niet de Nobelprijs voor de vrede te hebben gewonnen. Liever niet eigenlijk, want die mensen lijken ver weg en ontoegankelijk. Als je geen kind meer bent, en je fantasiespectrum aan wat kritische vraagstukken onderhevig is geraakt, is er bij de gedachte aan hen weinig ruimte voor eigen invulling. Die paar reële helden zijn door de massa op een voetstuk gezet. Maar de helden op onze eigen voetstukjes, in de hoeken van onze slaapkamers, die zijn klein. Broos, bijna. Die weten van niks, en dat doet het ‘m nou juist.

Mijn kennismaking met Wim Brands was vrij eendimensionaal, en niet wederkerig. De verklaring hiervoor is de TV, die jaren tussen ons in stond, als een medium met eenrichtingsverkeer: hij gaf, maar zou niks terugkrijgen. Wim Brands interviewde zeer uiteenlopende schrijvers over hun onlangs verschenen boeken. De uitzending was elke zondagochtend op de buis en het gejaagde pianoriedeltje waarmee het opende zette bij ons thuis het koffiezetapparaat en de warme pan met croissantjes in stroomversnelling. Samen met mijn vader keek en luisterde ik naar schrijvers die daar zaten omdat ze iets te vertellen hadden. De ene keer was dat van meer levensbelang dan de andere keer, maar Wim wist er altijd een mooi en volledig gesprek van te maken. Het is hier, dat mijn liefde voor schrijven meer en meer werd aangewakkerd.

Of misschien was het wel meer taal an sich, waar ik van begon te houden. Het interactieve, het sociale. Want als het mij echt puur en alleen om schrijven ging, had ik de boeken van al die gerenommeerde schrijvers wel aangeschaft en uitgelezen. In plaats daarvan ging mijn interesse meer uit naar het gesprek, naar het verhaal van de schrijver: de angsten, de verlangens en de doelen. Naar het vereeuwigen van jezelf op papier. En al deze nieuwe gedachten had ik te danken aan Wim. Zijn vragen, die de makers soms overrompelde maar waarbij ze altijd op een handreiking naar een zachte landing konden rekenen. Het deed allemaal iets met me.

Wim was een man die kon lezen als een stoomtrein. Dit klinkt vrij banaal, maar dat hij elke week twee pillen moest lezen en ze nog diende te begrijpen ook vond ik van een onwerkelijk hoog concentratieniveau, een niveau waar ik al tijden naar opzoek ben maar zelfs onder invloed van Concerta nog niet heb gevonden. Wim kon goed praten en schroomde niet om daar soms wat existentiële vraagstukken tegenaan te gooien. Wim had net als ik een liefde voor taal. Ik begon me steeds meer over deze man af te vragen, want als hij zo gepassioneerd was, had hij zelf dan ook een schrijfambitie?

In een romantisch tijdperk was ik nu naar de boekhandel gelopen. Maar die romantiek leeft enkel nog in onze herinnering. Met een paar tikken op mijn toetsenbord en een finaleklap op de enter ontvouwde het oeuvre van Wim Brands zich. Eindeloos veel gedichten. Ik begon te lezen.

Ik droomde

Ik droomde over een man
die een nachtmerrie kreeg in een
concentratiekamp. Hij ontwaakte,

stond op en ging naar buiten; er brandde licht in
nog maar één barak
hij klopte

op de deur, opende die. Onder een lamp zaten
kaartende bewakers tegen wie hij zei:
ik ben zo bang.

’s Ochtends probeerde ik me voor te stellen
hoe ze keken. Ik kwam er niet uit en las
verder in de biografie over Charles Manson

aan wie een bewaker ooit vroeg: wil je ontsnappen?
Ontsnappen? antwoordde Manson,
ontsnappen? Uit wat dan?

Uit: ‘ ’s Middags zwem ik in de Noordzee’, 2014.

Hij schreef al zijn hele leven gedichten, in heldere taal. Soms leken het meer (zeer) korte verhalen, maar ze brachten precies de emotie voort waar een goed gedicht wat mij betreft aan dient te voldoen. Een golf in je buik. Mijn volgende gedachte was: waarom wist ik dit niet? Er wordt door kranten, tijdschriften en gesprekken op TV (zoals dat van Wim Brands) altijd veel aandacht besteed aan schrijvers (misschien niet genoeg, dat weet ik niet), maar van Wim’s gedichten had ik nog nooit gehoord. Zou dit de vloek van zijn rol als interviewer zijn? Zouden die dingen niet naast elkaar kunnen bestaan? Misschien.

Het was een koude dag in mei toen ik Wim voor het eerst in levenden lijve zag. Hans Heesen, mijn toenmalige studieleider aan de Filmacademie, organiseert elk jaar een voorleesmarathon waarbij schrijvers worden uitgenodigd om het epische gedicht van Herman Gorter, ‘Mei’, in etappes voor te dragen. Thuis had ik chocola geprobeerd te maken van het meest experimentele LSD-stuk van Gorter, maar was daar niet honderd procent in geslaagd. Terwijl ik hierdoor aarzelend het terrein opliep, zag ik Wim staan. Hij was in gesprek met iemand. Wenkbrauwen in één lijn, precies zoals op TV. Daar was het me wel eens opgevallen dat, hoe humoristisch de persoon tegenover hem ook was, hij zich niet snel liet kennen door een grap. Zijn mondhoeken gedroegen zich redelijk stoïcijns. Duwden altijd iets meer naar beneden dan dat ze zich naar boven lieten verleiden. Ik dacht na over zijn dagelijks leven.

Ik was die dag niet op hem afgestapt om te vertellen met hoeveel plezier ik naar hem kijk en luister op TV. Ik heb niet gezegd hoe aangenaam verrast ik was door zijn gedichten. Ik wilde een originele tekst op hem afvuren, slim zijn, indruk maken. Ik wilde zeggen wat iedereen allang tegen hem gezegd had maar dan in nieuwe bewoordingen, zodat het op een nieuwe manier bij hem binnenkwam en daardoor lading had. Maar ik kon er niet opkomen, en durfde niet. Nog voor ik Herman Gorter in labyrintische taal hardop zou herdenken, zag ik de man van klare taal voor altijd naar huis gaan.

Op 20 maart 2016 was Wim voor het laatst te zien als presentator van zijn boekenprogramma. In verband met een depressie was hij toe aan een periode van rust. Hij koos voor eeuwige rust.

Laatst, toen ik met mijn vriend door Engeland reed, luisterden we via een podcast naar een radio-interview met Wim Brands door Jurgen Maas. Hij sprak daarin over de ingewikkelde band met zijn vader, over de erkenning waar hij – zoals elk kind – altijd naar opzoek was maar nooit kreeg. Hij vertelde dat hij zich nu ook nog wel eens tekortgedaan voelt, en hoe hij daar soms mee worstelt. Zijn vader hing zichzelf op latere leeftijd op in de garage.

Met terugwerkende kracht ben ik zijn mondhoeken anders gaan interpreteren. Verklapten ze zijn somberheid? Waarom heb ik daar eigenlijk nooit aan gedacht.

Wim Brands gaf een podium aan mensen die schriftelijk in opstand kwamen, die een verhaal wilden vertellen, die iets te verwerken hadden, iets ontdekt hadden of louter zichzelf graag aan het woord hoorden. Hij luisterde aandachtig en nam elke ziel serieus. Met zijn talent voor een goed gesprek.

De man met een bevlekte jeugd, met een verstopte leiding, gaf – terwijl hij ook nog iets voor zichzelf had moeten overhouden. Maar hij liep langzaam leeg, want niemand vulde zijn voorraad aan.

Ik geef bij deze Wim mijn erkenning. Alsnog. Te laat. Zinloos. Maar toch.
Hij staat nog steeds op hetzelfde voetstuk in de hoek van mijn slaapkamer.

De jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Uit: ‘De schoenen van de buurman’, 1999.

(Afbeelding: Spine D’acacia, Guiseppe Penone, 2005)

Zus

De blauwe regen viel uit op jouw hoofd
terwijl je zo zat te geiten

Je was een clown en schilderij in één
van top tot teen
alsof je binnenkort zou splijten door twee

Ik kon niet dichterbij
het was nooit wij
maar twee keer ik

En zo is het nog steeds
nooit anders geweest

‘Maandag’ is een theaterstuk over een boerenfamilie waarvan de jongste dochter, Meis, door een noodlottig ongeval om het leven komt. Haar zus, Sus, kampt met complexe gevoelens over de dood van haar zusje. Hoewel ze Meis het liefste achter het behang plakte, mist ze haar nu verschrikkelijk. Tegelijkertijd voelt ze zich slecht om haar verdriet, omdat ze altijd zoveel afstand heeft gevoeld tussen haar en Meis. Hoe mis je een bloedverwant die je nooit goed hebt leren kennen, door de grote verschillen die tussen jullie in stonden? – en dat soort vragen. Afgelopen jaar heb ik het theaterstuk, wat mijn vader in 2004 heeft gemaakt, vertaald naar een verhaal voor een filmscript. Dit gedichtje heb ik vanuit Sus geschreven. 

(Afbeelding: Wisteria van Claude Monet, 1919 – 1920)

Mierenfilosofie

Ik sta op het punt om
En dus ga ik zitten
Leg mijn ledematen in het gras

Ik wil aan niets denken
Maar dat is net als doodgaan
Dus ik denk na over het mens
Daarbinnen
Dat altijd maar aan het woord is

In woorden
Die ik niet zelf heb bedacht
Maar die nodig zijn om er iets van te begrijpen

Voor mij in het gras
Een mier
Draagt zijn dode vriend op zijn rug
Zonder omkijken
Zonder vergezochte theorieën
Zonder moeilijke emoties over de dood
Of over het leven

De mier draagt zijn vriend
Of zijn buurman, of misschien zelfs minder dan dat
Hij draagt en gaat en verlaat wie hij eerst was
Hij stapt en dwingt zichzelf tot groei
Tot bloei

En ook dat, is vergezocht
Het is nog minder dan woorden
Nog minder dan hoe ik erover denk
De mier draagt
Dat is alles
En dat alles is de dood

(Afbeelding: Jan van Kessel)

Grijs is ook een kleur

Voordat ik met een fantastische crew begon aan het avontuur dat later ‘Grijs is ook een kleur’ zou gaan heten, schreef ik een kort gedicht vanuit onze 11-jarige hoofdpersoon Cato, voor onder de beelden van de teaser.

Ik dacht, leuk, die zet ik er ook tussen.

 

CATO

Nu is het stil
Stiller dan stil
Alleen het huis kraakt
Het zeurt, het wil aandacht
Maar wij zijn niet thuis
Niet zoals altijd, thuis
De verwarming staat aan
Maar verwarmt ons niet
Dat geeft niet
Dat komt later wel
Maar verdriet gaat nu eenmaal
Niet supersnel
Voorbij.

 

‘Grijs is ook een kleur’ is een coming of age film waarin de jonge Cato geconfronteerd wordt met haar oudere broer die na een zelfmoordpoging weer thuis komt wonen.
Voor de hele film: https://www.npostart.nl/grijs-is-ook-een-kleur/02-10-2016/KN_1684553

Cast
Cécilia Vos, Ko Zandvliet, Sam Louwyck, Reinout Bussemaker, Margo Dames, Tjebbe Baanders
Geregisseerd door
Marit Weerheijm
Geschreven door
Saar Ponsioen
Geproduceerd door
Loes Komen
Eva Verweij

Dode moeders

Dode moeders
Zijn als al lang verwelkte bloemen
Ooit glorieus en hartgrondig
Op wat water na, onvoorwaardelijk

Dode moeders zijn als een gekapt bos
Ooit bescheiden in hun allesomvattende missie ons van adem te voorzien
Van verwondering
Van ongerepte paden

Boze moeders
Verdwijnen als sneeuw voor de zon
Overschaduwd door herinneringen
waarin ze als een aquarel aan de horizon verschijnt
Haar oogopslag ontspannen
Haar glimlach bedenken we er zelf bij

Dode moeders zitten ’s ochtends in je buik
In een omgekeerde wereld
Hun tastbaarheid te verkondigen
Duwen liever niet, maar toch, tegen dat zware ding in je keel

Er is misschien wel niets in de wereld dat zo wel en nooit de bedoeling kon zijn
Dode moeders lieten ons zien wat licht is
Maar verdwijnen zelf het donker in.

 

(Afbeelding: Stilleven met vruchten en bloemen, Balthasar van der Ast 1620 – 1621)

Emotieloos

Haar broer wil emotieloos door het leven. Om te duiden waar hij het precies over heeft moeten we even terug naar de allereerste tekenen van een mensenleven. Dus ga maar even zitten.

We worden geboren en zijn direct gezegend met allerhande zintuigen en handige lichamelijke onderdelen. Om te zien (waar de borst is), om te voelen (waar de borst is) en om te horen. Naarmate we een jaartje ouder worden, en we voorzichtig voortschrijden op twee slappe benen, krijgen we te maken met moeilijkheden. De eerste problemen kondigen zich aan, wanneer de kleine, overheerlijke bubbel met ons mam, doorgeprikt lijkt te raken door gevaar van buitenaf. Bijvoorbeeld in de gedaante van andere kinderen. Zij willen met hun vreemde taal iets, iets van jou meestal. Ze kijken je aan, bewegen zich naar je toe en plegen daarmee inbreuk op jouw gemoedelijke leventje. Maar omdat je twee armen hebt gekregen is de oplossing vrij dichtbij: je zwengelt vanuit je schouder een van die twee dingen naar achteren om het vervolgens – met iets meer energie – vooruit te bewegen, richting het hoofd van de vijand. Vaak begint de andere partij dan aan een onnoemelijk grote huilbui, maar het gekke is: het doet je niks. Er is geen greintje gevoel dat daarbij komt kijken. Totdat je moeder door haar knieën gaat en zegt: ‘Lieve schat, dat mag je echt nooit meer doen, dat vindt mama niet leuk.’

Je hart breekt doormidden, de koningin heeft gesproken en een vreemde prikkeling beweegt zich vanuit je hoofd naar je ogen. Je hebt dit wel eens eerder gevoeld, maar de herinnering daaraan is ver te zoeken. Je gaat met je handen over je natte wangen, begrijpt niet dat het zover heeft moeten komen. Een heet gevoel stijgt naar je hoofd. Je kijkt om je heen of de dader in kwestie nog in de buurt is: maar het beest is al afgedropen. Er is niks meer aan te doen. Vanaf nu ben je gedoemd als mens: de emotie heeft zich genesteld in de diepste krochten van je zijn. En het was zíjn schuld. Hoe zacht zou het zijn om je nooit meer zo te voelen.

Dus je wordt ouder en sterker, en zelfs die heldere ogen van je moeder raken je niet meer zo diep als een paar jaar geleden. Je besluit om dat moment van vroeger uit je lijf te bannen, die herinnering die de rest van je leven eigenlijk alleen maar ingewikkeld maakte. ‘Emotie is als de geur van Franse kaas,’ schrijf je in je dagboek, ‘het leidt ons af van het doel op dat specifieke moment. Zoeken we naar iets in de koelkast, dan vragen we ons af waar die stank vandaan komt. Proberen we een gesprek te volgen, raken we afgeleid vanwege die stinkende druipende camembert op het tafelkleed van een zomers tafereel. En verzuip je in de dieptes van je eigen sores dan ben je zelf de Franse kaas, en blijft iedereen het liefste uit je buurt. Want een camembertje op zijn tijd zou geen probleem moeten zijn, als ie daarna maar weer in het zakje verdwijnt.’ Je kijkt trots naar je diepgaande, haast filosofische bevindingen en sluit het boek, om je emotieloze dag te vervolgen.

Je gaat langs je moeder, en zij omhelst jou. Je voelt wat warmte omdat het je die dag goed uitkomt, maar zodra ze begint over boodschappen doen laat je alle emoties varen om zo droog mogelijk tot een uitkomst te komen. Je gaat langs je vader, en hij omhelst jou. Je voelt eigenlijk weinig omdat je een tijd geleden al besloten hebt niks meer te voelen bij iemand die wellicht teveel voelt, want als we allemaal de hele dag alleen maar heel veel voelen dan stort de wereld nog in. Je gaat langs je broer en hij zegt je gedag, je vindt het prettig om de afstand te bewaren want soms zijn dingen ingewikkeld en zodra dingen echt ingewikkeld dreigen te worden is het makkelijker om daar vooral geen emotie bij te voelen, anders zijn we nog verder van huis. Je gaat langs je zus en zij omhelst jou en je vindt het fijn dat ze zo’n gezellig persoon is dus je neemt plaats op bij haar aan tafel en jullie drinken een gezellige kop gezellige koffie. Maar zoals altijd bij jongelingen is er problematiek, met de wereld om de jongeling heen of met de wereld die zich binnenin de jongeling bevindt. Terwijl je oplossingen voor haar op tafel legt zie je tegenover jou het drama plaatsvinden: de berg.

Een berg emotie, groter dan ooit tevoren, ligt op haar hoofd. Als ze nou heel even stil blijft zitten… Je beweegt je arm naar achteren, net als vroeger – en ramt die berg zo hard mogelijk van haar hoofd. Want dan, dan is de oplossing dichtbij! Maar de berg zit vast en de jongeling valt pardoes van haar stoel af. Ze krabbelt overeind en zegt: ‘Ben je nou helemaal gek geworden!’. Maar jij bedoelde het goed. Je wist misschien niet dat emoties vastzitten aan de mens maar je weet godverdomme nog wel wat liefde is, dus als ze maar niet denkt dat ze dat van je af kan nemen. Je helpt haar op haar stoel en zegt met lood in je schoenen: ‘sorry’. De jongeling kijkt ernstig jouw kant op, want ze kent je langer dan vandaag maar soms lijkt het net de Da Vinci code daarbinnen. Jullie blik verplaatst naar het raam, want achter het raam is de lucht grijs en zijn de huizen donker. De regen valt slap uit de hemel, als een emotieloze herfstdag in een dood land. Breitnerachtige toestanden nestelen zich in je hoofd. Kleurrijke gedachten in je kop lopen leeg, en zware zwarte inkt blijft over. Je weet niet waar je heen moet. Het weten is even net zo ongrijpbaar als het niet weten. Je kijkt naar de jongeling. Je verwacht moeilijkheden maar ze lacht. Ze lacht met een berg emotie op haar hoofd.

En terwijl de wereld als een onopgeloste Rubik’s Cube in je buik blijft rommelen, lach je mee. Je snapt eigenlijk niet waarom. Je weet alleen dat er nu iets zachts gebeurt daarbinnen, alsof er een veertje in een graftempel valt. Geruisloos, geluidloos, gemoedelijk, goed. De jongeling zegt: ‘Brombeer’, en terwijl je overweegt om daar tegenin te gaan, lijkt je dit een mooi moment om niks te voelen. Je kijkt nog eens naar buiten, drinkt van je koffie en voelt mee met de emotieloze regenbui die druilerig de daken raakt.

 

 

 

(Afbeelding: Amadeo Modigliani – Iris Tree)

We vrezen

We vrezen wel eens, als mezen op een doodgevroren dag

Dat we per ongeluk niet overleven, niets kunnen teruggeven, verlaten of platgeslagen worden door onverwachtse wendingen.

We vrezen wel eens, voor ons vrezen

Bezemen de onrust het huis uit, geven uit, aan niets dan tekortkomingen zonder bestaansrecht.

We vullen gaten, van mannen en vrouwen, van kieren in onze koude gedachten, smachtend naar een revanche op ons afgenomen dierlijk elan.

We leven wel eens, maar niet vaak

Omdat vrezen zoveel makkelijker gaat.

 

 

 

(Afbeelding: Charles-Francois Daubigny)