Emotieloos

Haar broer wil emotieloos door het leven. Om te duiden waar hij het precies over heeft moeten we even terug naar de allereerste tekenen van een mensenleven. Dus ga maar even zitten.

We worden geboren en zijn direct gezegend met allerhande zintuigen en handige lichamelijke onderdelen. Om te zien (waar de borst is), om te voelen (waar de borst is) en om te horen. Naarmate we een jaartje ouder worden, en we voorzichtig voortschrijden op twee slappe benen, krijgen we te maken met moeilijkheden. De eerste problemen kondigen zich aan, wanneer de kleine, overheerlijke bubbel met ons mam, doorgeprikt lijkt te raken door gevaar van buitenaf. Bijvoorbeeld in de gedaante van andere kinderen. Zij willen met hun vreemde taal iets, iets van jou meestal. Ze kijken je aan, bewegen zich naar je toe en plegen daarmee inbreuk op jouw gemoedelijke leventje. Maar omdat je twee armen hebt gekregen is de oplossing vrij dichtbij: je zwengelt vanuit je schouder een van die twee dingen naar achteren om het vervolgens – met iets meer energie – vooruit te bewegen, richting het hoofd van de vijand. Vaak begint de andere partij dan aan een onnoemelijk grote huilbui, maar het gekke is: het doet je niks. Er is geen greintje gevoel dat daarbij komt kijken. Totdat je moeder door haar knieën gaat en zegt: ‘Lieve schat, dat mag je echt nooit meer doen, dat vindt mama niet leuk.’

Je hart breekt doormidden, de koningin heeft gesproken en een vreemde prikkeling beweegt zich vanuit je hoofd naar je ogen. Je hebt dit wel eens eerder gevoeld, maar de herinnering daaraan is ver te zoeken. Je gaat met je handen over je natte wangen, begrijpt niet dat het zover heeft moeten komen. Een heet gevoel stijgt naar je hoofd. Je kijkt om je heen of de dader in kwestie nog in de buurt is: maar het beest is al afgedropen. Er is niks meer aan te doen. Vanaf nu ben je gedoemd als mens: de emotie heeft zich genesteld in de diepste krochten van je zijn. En het was zíjn schuld. Hoe zacht zou het zijn om je nooit meer zo te voelen.

Dus je wordt ouder en sterker, en zelfs die heldere ogen van je moeder raken je niet meer zo diep als een paar jaar geleden. Je besluit om dat moment van vroeger uit je lijf te bannen, die herinnering die de rest van je leven eigenlijk alleen maar ingewikkeld maakte. ‘Emotie is als de geur van Franse kaas,’ schrijf je in je dagboek, ‘het leidt ons af van het doel op dat specifieke moment. Zoeken we naar iets in de koelkast, dan vragen we ons af waar die stank vandaan komt. Proberen we een gesprek te volgen, raken we afgeleid vanwege die stinkende druipende camembert op het tafelkleed van een zomers tafereel. En verzuip je in de dieptes van je eigen sores dan ben je zelf de Franse kaas, en blijft iedereen het liefste uit je buurt. Want een camembertje op zijn tijd zou geen probleem moeten zijn, als ie daarna maar weer in het zakje verdwijnt.’ Je kijkt trots naar je diepgaande, haast filosofische bevindingen en sluit het boek, om je emotieloze dag te vervolgen.

Je gaat langs je moeder, en zij omhelst jou. Je voelt wat warmte omdat het je die dag goed uitkomt, maar zodra ze begint over boodschappen doen laat je alle emoties varen om zo droog mogelijk tot een uitkomst te komen. Je gaat langs je vader, en hij omhelst jou. Je voelt eigenlijk weinig omdat je een tijd geleden al besloten hebt niks meer te voelen bij iemand die wellicht teveel voelt, want als we allemaal de hele dag alleen maar heel veel voelen dan stort de wereld nog in. Je gaat langs je broer en hij zegt je gedag, je vindt het prettig om de afstand te bewaren want soms zijn dingen ingewikkeld en zodra dingen echt ingewikkeld dreigen te worden is het makkelijker om daar vooral geen emotie bij te voelen, anders zijn we nog verder van huis. Je gaat langs je zus en zij omhelst jou en je vindt het fijn dat ze zo’n gezellig persoon is dus je neemt plaats op bij haar aan tafel en jullie drinken een gezellige kop gezellige koffie. Maar zoals altijd bij jongelingen is er problematiek, met de wereld om de jongeling heen of met de wereld die zich binnenin de jongeling bevindt. Terwijl je oplossingen voor haar op tafel legt zie je tegenover jou het drama plaatsvinden: de berg.

Een berg emotie, groter dan ooit tevoren, ligt op haar hoofd. Als ze nou heel even stil blijft zitten… Je beweegt je arm naar achteren, net als vroeger – en ramt die berg zo hard mogelijk van haar hoofd. Want dan, dan is de oplossing dichtbij! Maar de berg zit vast en de jongeling valt pardoes van haar stoel af. Ze krabbelt overeind en zegt: ‘Ben je nou helemaal gek geworden!’. Maar jij bedoelde het goed. Je wist misschien niet dat emoties vastzitten aan de mens maar je weet godverdomme nog wel wat liefde is, dus als ze maar niet denkt dat ze dat van je af kan nemen. Je helpt haar op haar stoel en zegt met lood in je schoenen: ‘sorry’. De jongeling kijkt ernstig jouw kant op, want ze kent je langer dan vandaag maar soms lijkt het net de Da Vinci code daarbinnen. Jullie blik verplaatst naar het raam, want achter het raam is de lucht grijs en zijn de huizen donker. De regen valt slap uit de hemel, als een emotieloze herfstdag in een dood land. Breitnerachtige toestanden nestelen zich in je hoofd. Kleurrijke gedachten in je kop lopen leeg, en zware zwarte inkt blijft over. Je weet niet waar je heen moet. Het weten is even net zo ongrijpbaar als het niet weten. Je kijkt naar de jongeling. Je verwacht moeilijkheden maar ze lacht. Ze lacht met een berg emotie op haar hoofd.

En terwijl de wereld als een onopgeloste Rubik’s Cube in je buik blijft rommelen, lach je mee. Je snapt eigenlijk niet waarom. Je weet alleen dat er nu iets zachts gebeurt daarbinnen, alsof er een veertje in een graftempel valt. Geruisloos, geluidloos, gemoedelijk, goed. De jongeling zegt: ‘Brombeer’, en terwijl je overweegt om daar tegenin te gaan, lijkt je dit een mooi moment om niks te voelen. Je kijkt nog eens naar buiten, drinkt van je koffie en voelt mee met de emotieloze regenbui die druilerig de daken raakt.

 

 

 

(Afbeelding: Amadeo Modigliani – Iris Tree)

Zij bepaalt

Het was een lamlendig warme zondag waarop ik met een goede vriendin aan het bier belandde op een terras. Wat begon met één, werd twee, werd drie. Je kent het wel.

Met mijn hoofd in een soort wattige wereld ging ik naar het station, hongerig, dus net op het allerlaatste moment trok ik een kaassouflé uit de muur. De odeur van de kaassouflé en mijn wellicht ietwat bierige aura deden mij besluiten om in de instapcoupé te blijven zitten. Dus daar zat ik, naast vijf fietsen op een uitklapstoeltje, niet wetende dat ik zo een adolescente regenwolk was binnengevallen.

Een jongen en een meisje, zo rond de twintig, hebben ruzie. Nou vooral het meisje: boos, huilen, haar rug toekeren terwijl ze zich klein gemaakt heeft en zo met een gesloten houding op de trap zit. De jongen staat in de hoek bij de treindeur, weet zich geen raad, denkt na en wil proberen. Dus hij aait, maar zij beweegt niet mee, duwt zijn hand weg en roept: “Hou op! Laat me met rust!”. De jongen kijkt paniekerig om zich heen. Ik eet van mijn kaassouflé, zo zachtjes mogelijk, ik wil niks veranderen aan wat zich afspeelt. De jongen bedenkt wat zijn volgende stap is. Hij geeft niet op, wil niet opgeven, en doet een nieuwe poging. Hij gaat naast haar zitten, aait haar en zij legt eindelijk haar hoofd op zijn schouder. Dan opeens, heel veel Chineze toeristen, uit alle hoeken en gaten, komen binnen, vallen in sferen. Zij schrikt, reageert af en duwt haar verliefdheid weer de verkeerde kant op: “Ga weg!”. De jongen gaat weg, maar begint de betekenis van die zin steeds minder goed te begrijpen. Ik eet weer van mijn kaassouflé, timide, bekend met het concept waar ze doorheen gaan maar niet meer in staat om het honderd procent te begrijpen. Chinezen weg. Technische storing. Kaassouflé op. Meisje nog steeds gesloten. De jongen kijkt of iedereen weg is (ben ik doorzichtig?) en gaat het nog eens proberen. Hij gaat naast haar zitten. Raakt haar niet aan. Maar vraagt. Iets. Zij begint te praten, probeert uit te leggen hoe ze zich voelt. Eindelijk. Zoveel belangrijker dan een hoofd op een schouder. De jongen zegt sorry, weet zelf waarschijnlijk niet waarom en baalt van de onterechtheid ervan, maar het werkt en dat is het belangrijkste. Ze lacht. De trein rijdt. Ze smelt nog meer. Haar bui is in beweging gezet. Ze leeft weer.

Ik wil iets tegen ze zeggen, ze feliciteren met de zoveelste overwinning. Maar dat zou gek zijn. In plaats daarvan ben ik dankbaar dat ik als stille getuige door dit abstracte schilderij mocht lopen. Voldaan veeg ik de kruimels van mijn wang. Het meisje kust de jongen. En, uiteraard, bepaalt zij hoe lang die duurt.

 

Zij bepaalt
Hoe lang de kus duurt

Al zou ik nog zo graag willen wegdromen als
Indutten terwijl
Verdrinken in een zoete gedachten wanneer

Al zou ik ons willen voorstellen als
We oud zijn
Gelukkig
Ongelukkig
Of heel alleen

Al zou ik willen verdwijnen terwijl
Of voor eeuwig blijven in

Zij bepaalt hoe lang
En dat is nooit lang genoeg om

 

 

 

(Afbeelding: de Stijl)

Half-om-half vegetariërs

Een paar jaar geleden kon ik niet langer met mezelf rijmen dat ik aan de ene kant knuffelend met lammetjes op de foto stond en ze aan de andere kant om 4:00 ’s nachts bij de dönerzaak naar binnen stond te schuiven. Los daarvan kwam het mij ter ore hoeveel water en energie er wordt verbruikt in de vleesindustrie, en hoe goed het zou zijn om te minderen met vlees.

Minderen deed ik, maar de paté en brood met kroketten kon ik nog niet laten staan. Toen ik die eenmaal ook had losgelaten, vergreep ik mij nog wel eens aan een rondslingerende bitterbal. Ondertussen was mijn omgeving op de hoogte van mijn vegetarische avontuur, en ondersteunden ze mij daarin. Soort van.

Want op het moment dat ze wisten dat ik (ooit) van plan was geen vlees meer te eten, nou wee je gebeente als er dan alsnog een bitterbal in ging. ‘Jij was toch vegetariër!’ Werd de leus. Mijn eerste reactie was altijd een vorm van schaamte, niet alleen naar hen maar eigenlijk ook naar mezelf. Ze hadden gelijk, wat een laf gedoe dit.

Maar iets later dacht ik, wacht effe… waar bemoeiden ze zich mee?
Ondertussen eet ik geen vlees meer, probeer ik mezelf zelfs te verleiden met sojayoghurt en zie ik om mij heen hoe mijn omgeving worstelt met dezelfde struggles die ik ook had.

De halve vegetariër wordt niet op prijs gesteld, maar de kans dat de hele wereld geen vlees meer eet is veel kleiner dan dat de hele wereld minder vlees gaat eten. Helaas ben ik niet bevoorrecht met een wiskundige knobbel, maar die rekensom zal vast een enorm positieve uitslag hebben.

Daarom wil ik de half-om-half vegetariër een hart onder de riem steken. Je bent hartstikke goed bezig en het levert zoveel op dat jij af en toe je slavinken in het schap laat liggen en voor een vegetarische schnitzel kiest (probeer eens, best lekker). Laten we geleidelijk zien wat er gebeurt met de wereld als we minderen met vlees, en wie weet is dan ooit de stap naar vleesvrij niet zo heel groot meer. Want laten we eerlijk zijn: het zal een enorme omschakeling zijn. Ook voor de boeren.

Niet voor de dieren trouwens. Die zijn er vast blij mee.

Winterslaap

Als ik deze koude buien
Kon overslaan
‘s winters in een diepe slaap
In een vacht dat ik later weer af moet staan

En als jong gras zich dan laat zien
Als de eerste herinneringen tussen kleine tenen
Dan rui ik alles van me af
Dan laat ik los wat zich tot diep in mijn huid heeft genesteld
Dan broed ik op nieuwe beginnen

 

(Foto: voor onze anti-kraak boerderij in Hazerswoude-Rijndijk)

Zwanenburg

Waarschuwing: werkelijk niks van onderstaande verhaal is fictief.

Laatst ben ik in een real life Annie M.G. Schmidt versje terecht gekomen. Terwijl de trein met een eindeloze vertraging door het land sjokte hoorde ik steeds een zeer zachte stem door een intercom zeggen: ‘Dames en heren, we staan stil omdat er een zwaa%#&@ in de trein is.’ Een wat? Een zwaarbewapende man? Terwijl mijn hart ongeveer uit mijn keel bonkte en het bloed uit mijn vaten wegtrok richtte ik me tot de mensen achter mij: ‘Hoorde u toevallig wat er gezegd werd?’ De vrouw keek ogenschijnlijk rustig uit haar ogen. ‘Ja, er zit blijkbaar een zwaan in de trein.’ ‘Een zwáán?’ Ik bedankte en ging weer goed op mijn stoel zitten. Ik voelde of er minder spanning in mijn billen zat, maar de geloofwaardigheid van een zwaan in de trein was te min. Ja, dacht ik, zeker zo’n naïeve nuchtere Nederlander die zelfs in het heetst van de strijd niet gelooft dat zij ooit de dupe zou worden. Ik dacht aan alles dat me rustig kon maken: appeltaart, gebloemde kussenslopen, een flauwe grap, een zachte trui. ‘Dames en heren, excuses voor het ongemak, we proberen de zwaan onder controle te krijgen.’ Zwaan. Nu hoorde ik het echt.

Waar ik eerst nog bijna uit elkaar viel van ellende, overmeesterde mij een warm gevoel. Ik keek naar de vrouw achter mij: ‘Wat idioot dit.’ De vrouw moest lachen: ‘Hij zal wel geen kaartje gekocht hebben.’ Net voor Haarlem stopte de trein opnieuw, naast een meer. Niet veel later verscheen er een grote witte zwaan. Hij peddelde deftig – en een tikkeltje op zijn pik getrapt – door het water. Het zal toch niet… De trein kwam langzaam weer op gang en het bordje ‘Halfweg Zwanenburg’ kwam langs mijn raam. ‘Dames en heren, we hebben zojuist de zwaan te water gelaten. Met een vertraging van twintig minuten komen we aan in Haarlem.’ Ik keek naar een andere vrouw links van mij. Hoewel alle reizigers die dag bezig waren met plannen in het verschiet, werd iedereen onverhoopt teruggebracht naar zijn kindertijd.

Daarom heb ik, ter ere van Annie, er maar een versje over geschreven:


Zwanenburg


Er was vandaag een zwaan die dacht

Hoe word ik het snelst naar huis gebracht?
Mijn vleugels moe, mijn poten pijn
Ik lijk wel gek, ik pak de trein.


Hij wist precies de juiste weg

En zonder eerst wat overleg
Nam hij plaats in eerste klas
En wachtte tot het zover was


En ongeveer om kwart voor tien

Wou de conducteur zijn kaartje zien
‘Een kaartje?’ vroeg de zwaan verbaasd
‘Niet aan gedacht, want ik had haast.’


‘Het spijt me zeer, meneer de – eh – zwaan

Maar dan zult u niet verder gaan.’
De zwaan snoof razend door zijn snuit
En verhief ietwat zijn stemgeluid

‘Nou dan weet ik het goed gemaakt,’
Zei de zwaan zeer welbespraakt
‘Ik zie daar verderop een meer
Zet u mij dan daar maar neer.’


De zwaan trok snel wat veren goed

En gaf de man een straffe groet
De trein werd toen met flinke kracht
tot de stille stand gebracht.


Met een luid en vreemd gesnater

Ging de trotse zwaan te water
Hij lachte hard want wist haarfijn
Dat hij nu was waar hij moest zijn.

(Afbeelding: De bedreigde zwaan – Jan Asselijn ca. 1650)

Eindeloos

De kat sluipt verslagen
De jaren meegedragen
In zijn stugge lijf

De tafel staat op hoge poten
Oprechte sprongen te verkloten
Onnozel tijdverdrijf

Zijn schrale schim is half vergeten
En ongeacht zijn wanhoopskreten
Is er geen mens, geen dier, geen wezen
Zijn er geen muizen, hazen, mezen
Die hem zien, noch vrezen

De kat likt zachtjes aan zijn poot
Denkt willekeurig aan de dood
Maar al zou ze komen als een zegen
Is het toch pas eentje van de negen

 

(Afbeelding: Franz Marc – Katzen auf rotem 1909)